• Een Barrett-slokdarm komt vooral voor bij langdurige klachten van brandend maagzuur en als gevolg van een chronische slokdarmontsteking (reflux-oesofagitis), die ontstaat als maagzuur lange tijd in de slokdarm terugvloeit (reflux).
  • Het tast de slokdarmwand aan die niet goed beschermd is tegen de inwerking van dit agressieve maagzuur.

Oorzaken

  • Sommige patiënten hebben al jarenlang last van brandend maagzuur, terwijl anderen volledig klachtenvrij zijn. Ook niet alle patiënten met klachten van brandend maagzuur ontwikkelen een Barrett-slokdarm.
  • Mensen met een Barrett-slokdarm hebben een verhoogde kans (30 tot 50 keer t.o.v. gezonde mensen) om na verloop van tijd slokdarmkanker te ontwikkelen. Toch blijft dit risico relatief klein (minder dan 5%). Het is onbekend waarom sommige mensen met een Barrett-slokdarm wel slokdarmkanker krijgen en anderen niet.

Onderzoek

  • Endoscopisch onderzoek van de slokdarm (gastroscopie)
  • Biopsie: één of meerdere stukjes weefsel worden uit de slokdarmwand genomen voor microscopisch onderzoek. De biopsie bepaalt of het daadwerkelijk om een Barrett-slokdarm gaat en of er al sprake is van onrustige (premaligne) cellen.

Behandeling

Met maagzuurremmers zorgen we ervoor dat het maagsap niet zuur meer is. Voedsel en maagsap kunnen nog steeds terugstromen in de slokdarm, maar doordat het maagsap veel minder zuur is, kan het in de slokdarm geen ontstekingen meer veroorzaken.

Opvolging

  • Jaarlijkse of tweejaarlijkse endoscopische controle: de frequentie van opvolging kan veranderen afhankelijk van de leeftijd en de wens van de patiënt, comorbiditeit (het tegelijkertijd voorkomen van twee of meerdere aandoeningen)…
  • De evolutie van Barrett naar kanker verloopt over een tussenstadium (dysplasie). De graad van dysplasie bepaalt de opvolging en eventuele behandeling. We volgen hiervoor de richtlijnen van de American College of Gastroenterology.
    • Laaggradige dysplasie: controle na 6 maanden en als geen dysplasie meer is jaarlijkse controle voldoende
    • Hooggradige dysplasie:
      - Bevestiging door een tweede expert gastro-intestinaal-patholoog
      -
      Gastroscopie om de 3 maanden
      - Intensieve opvolging al dan niet in combinatie met het verwijderen van slijmvlies voor verder onderzoek (EMR, endoscopische mucosale resectie)
      - Andere therapieën waarbij er weefsel wordt weggesneden of verwijderd (ablatieve therapie)
      - Slokdarmresectie: operatieve wegname van een deel van de slokdarm
      - Geen dysplasie meer: behandeling in functie van de hoogste graad van dysplasie voorheen