Allerlei factoren bepalen of we kiezen voor een borstamputatie of een borstsparende heelkunde:

  • Stadium van de ziekte
  • Type gezwel
  • Grootte en plaats van het gezwel
  • Grootte van de borst
  • Voorkeur van de patiënt
  • Eventuele erfelijke belasting

Bij een borstamputatie (mastectomie) neemt de chirurg de volledige borstklier weg. Dit laat een schuin, vlak litteken achter tussen het borstbeen en de oksel. Als de chirurg jouw volledige borst wegneemt, kan hij - in sommige gevallen - tijdens dezelfde ingreep een borstreconstructie - met eigen weefsel of een prothese - uitvoeren samen met de plastische chirurg. In de meeste gevallen is het echter wenselijk dit te doen, wanneer de nabehandeling volledig achter de rug is.

Bij een borstsparende ingreep haalt de chirurg enkel de tumor weg met een marge van gezond weefsel eromheen. Als een gezwel niet duidelijk voelbaar is, zal de radioloog het voor de ingreep lokaliseren met een harpoennaaldje of met stiftlijnen op de huid. De chirurg kiest dan een insnede met de beste toegang naar het gezwel. Nog tijdens de operatie onderzoekt de patholoog - en soms ook de radioloog – de verwijderde delen. Dat geeft een eerste indruk of de tumor macroscopisch (met het blote oog) volledig en veilig werd verwijderd. Als blijkt dat de chirurg nog een extra schijfje klierweefsel moet weghalen, kan hij dat meteen doen.